Het woord biodiversiteit duikt overal op. Maar wat bedoelen we er precies mee? En waarom is het zo belangrijk voor de energietransitie en Klaer?
Kort gezegd gaat biodiversiteit om de variatie in het leven. Die variatie zit in de soorten: planten, dieren, insecten, schimmels en micro-organismen. Maar ook in de verschillen tussen individuen binnen één soort, en in de ecosystemen en leefgebieden waarin al die organismen voorkomen. Minstens zo bepalend zijn de verbanden tussen die onderdelen. Groen betekent in dit geval dus nog niet rijk: een perceel met één grassoort oogt netjes, maar biedt weinig leven. Een weide met grassen, kruiden, struiken, insecten, vogels en bodemleven is ecologisch veel waardevoller.
Bernd Nijen Twilhaar, Teamlead Client Management en lid van het ecologieteam van Klaer/Novar, vat biodiversiteit zo samen.
“Biodiversiteit gaat voor mij over alles wat er in een gebied leeft. Van planten en dieren tot alles wat in de bodem zit. Hoe groter die verscheidenheid, hoe hoger de biodiversiteit.”
Alles hangt samen
Soorten leven niet los van elkaar. Ze vormen netwerken. Bestuivers zorgen voor fruit en gewassen, een levende bodem houdt water en voedingsstoffen vast, en natuur maakt een landschap de moeite waard om in te leven. Verdwijnt één schakel, dan wankelt het systeem. Dat raakt ook ons.
Veel van dat leven zit onder de grond. Bacteriën, schimmels en wormen breken organisch materiaal af, zodat de bodem vruchtbaar blijft.
Nederlandse natuur staat onder druk
De Nederlandse natuur staat onder druk. Het landgebruik verandert, de landbouw is vaak intensief, bodem en water raken vervuild en het klimaat verschuift. Voor planten en dieren betekent dat minder geschikte leefplekken.
Tegelijk willen we veel op dezelfde plek: wonen, voedsel, infrastructuur en duurzame energie. Omdat de ruimte beperkt is, is de vraag niet alleen waar we energie opwekken. Het gaat ook om hoe functies elkaar kunnen versterken en welke ecologische kwaliteit een gebied al heeft en kan krijgen.
Waarom dat voor ons telt
De parken die Klaer beheert, bestaan grotendeels uit landbouwgrond. Daar zien we een kans. Een zonnepark maakt een gebied niet vanzelf rijker. Daarom kijken we per locatie hoe we de biodiversiteit kunnen versterken. Onze ecologen en collega’s uit andere disciplines werken samen in een ecologiewerkgroep, voor nieuwe projecten én voor bestaande parken. Biodiversiteit is voor ons daarmee een meetbaar doel.
Wat we in het veld doen
Op sommige gronden passen we het maaibeheer aan en halen we het gemaaide gras weg, zodat kruiden kans krijgen. We planten inheemse struiken en bomen en maken plekken voor insecten, vogels en kleine zoogdieren: bijenheuvels, nestkasten, takkenrillen en aangepaste hekwerken.
Bij zonnepark Eekerpolder passen we het beheer van 161 hectare aan. Het maaisel verwijderen we, zodat andere planten ruimte krijgen. Stap voor stap ontstaat zo meer variatie. Bij zonnepark Bellingwolde planten we hagen, heesters en een fruitboomgaard. Bij zonnepark Wieldrechtse Zeedijk openen we delen van het terrein voor natuur en zaaien we biodiversiteitsvelden in.
We meten wat werkt
Maatregelen nemen is niet genoeg. We willen bewijs. Daarom loopt er een vijfjarig onderzoek naar vijftien zonneparken, uitgevoerd door Novar samen met de Rijksuniversiteit Groningen en de provincie Groningen. We kijken naar bodem, begroeiing, insecten, zoogdieren en vogels.
De tussentijdse resultaten zijn duidelijk: een ecologische inrichting biedt nieuwe leefruimte, maar niet voor elke soort. Akkervogels zoals de veldleeuwerik mijden zonneparken nog steeds. Daarom werken wij met een nulmeting en meten we daarna opnieuw. Wat werkt, behouden we. Wat niet werkt, passen we aan.
Elke locatie vraagt een eigen aanpak
Er is geen standaardrecept. Een landbouwperceel vraagt iets anders dan een terrein naast een natuurgebied, en dat weer iets anders dan een voormalige stortplaats. Onze ecologen beginnen daarom met een inventarisatie: welke planten en dieren zijn er, en waar zit de winst? Bij nieuwe projecten schakelen we lokale, onafhankelijke ecologen in, want zij kennen het gebied. Hun inzichten vertalen we naar keuzes voor inrichting en beheer.
Van inzicht naar plan
Biodiversiteit begint dus vóór de eerste schop de grond in gaat. Wat is er al, wat behouden we en welke leefgebieden versterken we? Dat leggen we vast in een ecologisch inrichtingsplan.